Kansen door de Omgevingswet

Een allesomvattende wet

Wellicht heb je er al eens van gehoord: het is de bedoeling dat over een aantal jaren de Omgevingswet wordt ingevoerd. Deze wet moet in de plaats komen van een heleboel bestaande wetgeving. Het idee is dat je voor een zogenaamde fysieke ontwikkeling, zoals de bouw van een woning of een fabriek, straks nog maar bij een loket langs hoeft. En maar 1 vergunning nodig hebt.

Dat is een mooie gedachte. Voor de aanvrager scheelt het een hele boel bureaucratie. En een gemeente wordt gedwongen een aanvraag in 1 keer integraal te bekijken. Nu kan het gebeuren dat iets mag vanuit het bestemmingsplan, er ook een bouwvergunning wordt afgegeven, maar dat de milieuvergunning die ook nodig blijkt te zijn er niet komt.

Of dat in de praktijk gaat werken, is afwachten. Voor een deel ligt dat eraan hoe de uiteindelijke wet eruit gaat zien. Het is echter duidelijk, dat dat vooral afhankelijk is van hoe een gemeente met de wet omgaat! De invoering van de wet heeft heel veel voeten in de aarde, en is een ingrijpende operatie.

Houding en gedrag

En: 20% van de verandering is techniek (hoe voegen we wetgeving samen), maar liefst 80% is houding en gedrag.

Met andere woorden: of de inwoners van onze gemeente werkelijk voordelen gaan ervaren van deze wet, hebben we binnen de gemeente volledig in eigen hand.

Er zijn drie onderdelen hiervan die ik er uit wil lichten.

Eenvoudige en snellere procedures

Een gemeente kan deze doelstelling alleen halen, als ze haar werkwijze helemaal opnieuw opzet. Op dit moment zijn bij de verschillende vergunningen allemaal andere medewerkers betrokken. Medewerkers die voor een deel ook nog eens op andere afdelingen zitten. Vaak kijken zij nu los van elkaar naar de aanvragen. Een procedure zal straks alleen sneller zijn, als deze ambtenaren tegelijkertijd en in onderling overleg naar een aanvraag kijken.

Van toetsing aan regels naar toetsing aan doelen

Ambtenaren toetsen plannen aan regels. Dat lijkt logisch. Tegelijkertijd heeft dat ook een keerzijde: de roep om ‘maatwerk’ is niet voor niets zo groot. Daarom benaderen we in onze gemeente aanvragen ook zo veel mogelijk vanuit het “ja, mits” principe. Met andere woorden: we willen zoveel mogelijk aanvragen goedkeuren, als we tenminste een manier vinden om het in te passen in de regels. Die benadering is positief, maar kent wel twee nadelen:
De beoordeling vindt nog steeds plaats vanuit regels, en dit kan leiden tot willekeur.

Ik vind het eerste zo’n groot nadeel, omdat regels een middel zijn en geen doel. En zolang we kijken hoe we iets binnen de regels mogelijk kunnen maken (dus: hoe kunnen we de regels zo uitleggen dat iets mogelijk is), dan voeden we onbewust de tendens naar juridisering die we zien in onze maatschappij. Daarmee bedoel ik dat we als maatschappij steeds vaker besluiten aanvechten bij de rechter: die moet daarmee een oordeel vellen over de interpretatie van de regels die gemaakt is.

Wat we anders zouden kunnen doen is om altijd helder te omschrijven welke doelen we nastreven. Bijvoorbeeld: een gebouw moet veilig zijn. Dat is het doel. Daaronder staan de regels. Feitelijk zijn dat richtlijnen, om inzichtelijk te maken waar je bij veiligheid zoal aan moet denken. Die regels zijn nadrukkelijk een middel om het doel (in dit geval veiligheid) mogelijk te maken.

…altijd blijven nadenken

Dus: er kan afgeweken worden van de regels als daarmee de veiligheid niet in gevaar komt. Maar ook: het kan zijn dat een aanvrager meer moet doen dan wat in de regels staat om te zorgen dat iets veilig is. Altijd blijven nadenken! En je nooit verschuilen achter regels….
Bij alle regels zal daarom ook apart moeten worden vermeld dat ze bedoeld zijn als richtlijn, als middel, en dat ze ondergeschikt zijn aan het doel.

….. en voorkom willekeur

Zodra we eraan gewend raken om te redeneren vanuit de doelen in plaats van uit de regels, is het risico op willekeur ook vele malen kleiner. Het gaat er niet om of je op een creatieve manier de regels kunt toepassen, maar of je goed kunt motiveren waarom er wel of niet aan de beleidsdoelen wordt voldaan.

Van recht op inspraak naar afweging van belangen

De eerste twee punten gingen vooral over hoe we met regels om kunnen gaan. De derde kans is zo mogelijk nog ingrijpender: die gaat over hoe we met elkaar omgaan. Op dit moment zit een bestemmingsplan zo in elkaar, dat daarin is geregeld waar we recht op hebben. Dat recht is afdwingbaar: je kunt naar de rechter om te eisen op straffe van een boete dat iets gebeurt. Hetzelfde geldt voor een nieuwe ontwikkeling: belanghebbenden (meestal de omwonenden) hebben het recht om bezwaar aan te tekenen. En dat gebeurt veelvuldig.

Los van de maatschappelijke kosten die dat oplevert (vertraging + kosten van ons rechtssysteem) gaat dat veel te veel over het achteraf repareren wat aan de voorkant al dan niet fout is gegaan. En: de gemeente wordt vroeg in het proces gedwongen “partij te kiezen”. Immers: op het moment dat een aanvraag in behandeling wordt genomen en een procedure in gang wordt gezet, is impliciet de conclusie “de gemeente is voor”. En in de belevingswereld van onze inwoners staan ambtenaren en college daarmee tegenover omwonenden, en aan de kant van de indiener.

Er gaat dus veel tijd, geld en energie zitten aan de achterkant van het proces. En een uitspraak van de rechter levert per definitie winnaars en verliezers op: de ene partij krijgt gelijk, de andere ongelijk. Het huidige proces werkt tegenstellingen in de hand. En dat, zonder dat er daarmee een betere oplossing komt!

Van achterkant naar voorkant

Wat er anders kan, wat er anders moet, is dat de energie aan de voorkant van het proces gaat zitten. Iedereen die een plan heeft, moet zich ervan bewust zijn dat zijn of haar plan invloed heeft op de omgeving. Een omgeving waar we allemaal, samen, verantwoordelijk voor zijn.

Iemand met een plan zal daarom in gesprek moeten met zijn omgeving: “Als ik dit van plan ben, wat betekent dat dan voor jou? Is er sprake van mogelijke geluidsoverlast? Geur? Zijn er gezondheidsrisico’s?”.
Het is de rol van de gemeente om dit proces te begeleiden. Ambtenaren kunnen vanuit hun kennis van wet en regelgeving, met de initiatiefnemer bepalen met wie het gesprek moet worden gevoerd.

Doel van dit deel van het proces is het samen bepalen wat een ieders belangen zijn. Waar mogelijk past de initiatiefnemer, vanuit begrip voor de belangen van omwonenden, zijn plan aan. Dat kan vast niet op alle onderdelen: 100% draagvlak wordt niet verwacht. Aan draagvlak valt namelijk geen percentage te koppelen!

Nogmaals: het doel is om waar mogelijk aan belangen van omwonenden tegemoet te komen. Wat overblijft, zijn de belangen waarover geen overeenstemming bereikt kan worden. Zoals dat zo mooi heet “we agree to disagree”: je weet over en weer waar je het niet over eens bent.
En dat gaat dus niet over: “60% van de omwonenden is voor, dus het plan moet er komen”.

Andere rol van de gemeenteraad

Dan is het de beurt aan de gemeenteraad. De gemeenteraad is er om de belangen te wegen, en de knoop door te hakken. En voor die weging van belangen is geen vaste formule, dat is geen rekensom! Iedere partij, wellicht ieder gemeenteraadslid, weegt de belangen anders, vanuit de standpunten van de partij en haar individuele achtergrond. In dat proces wordt meegenomen aan welke belangen al is tegemoet gekomen (met als uitkomst een beter plan!).

De raad krijgt daarmee ook een veel zuiverder rol. Op dit moment gaat het nog te vaak over “die partij is niet gehoord” of “is het geen beter idee om dit plan op een andere plek te realiseren”. Dat zijn oeverloze discussies, die afleiden waar het om gaat: een open, transparante afweging van belangen.

Circular Economy: prachtige kans voor Smart Industry

De toegevoegde waarde van Circular Economy voor Smart Industry

Het lijken twee totaal verschillende begrippen: Circular Economy en Smart Industry. Een ding hebben ze in ieder geval gemeenschappelijk. Het zijn allebei veelgebruikte begrippen. Woorden die zo veel gebruikt worden, dat ze het risico lopen hol te worden. De Achterhoek kiest voor Smart Industry. Waarom dat zo’n goede en logische keuze is, beschreef ik al eerder. Maar Circular Economy?

Meer dan afval en recycling

De term Circular Economy wordt vaak gebruikt door afval- en recycling bedrijven. We doen een beroep op burgers om hun afval goed te scheiden, zodat zo veel mogelijk materiaal opnieuw gebruikt kan worden. De winst voor ons milieu zit ‘m erin dat we daardoor minder nieuwe grondstoffen nodig hebben. Daarnaast is er bij hergebruik veel minder energie nodig. De bekendste voorbeelden van materialen die zich goed laten hergebruiken zijn papier en glas. Ook blik en kunststoffen worden meer en meer apart ingezameld.

Echter, veel kunststoffen zijn zo gebruikt of gemaakt dat ze alleen als veel laagwaardiger materiaal hergebruikt kunnen worden. Bijvoorbeeld als bermpaaltjes. Dat houdt dus in dat het aantal producten waarvoor dit materiaal gebruikt kan worden heel beperkt is. De opgave om tot een circulaire economie te komen is dus groter.

Fossiele grondstoffen zoals olie, gas en metalen zijn eindig: onze aarde is immers eindig. Hoelang het duurt voordat bepaalde grondstoffen op zijn, is niet helemaal zeker. Wel is duidelijk dat het steeds meer moeite zal kosten om grondstoffen te winnen. We moeten bijvoorbeeld dieper graven. En: de concentraties erts nemen rap af. Het kost dus steeds meer energie, en het levert steeds meer milieuschade op om aan de grondstoffen te komen.

Thomas Rau: “Dit gebouw is een tijdelijke opslagplaats van materialen”

Afgelopen donderdag mocht ik een mooie presentatie bijwonen van architect Thomas Rau. Hij sprak bij een bijeenkomst van het Gelders Energie Akkoord. De bijeenkomst was in het hoofdkantoor van Liander, in Duiven, waarvan Rau de architect is. Rau verwoordde het prachtig: we moeten een gebouw niet langer beschouwen als een kant en klaar eindproduct, maar als een tijdelijke opslagplaats van materialen. Van het gebouw is dus alles vastgelegd: wat van hout is, wat van metaal. En het gebouw is zo in elkaar gezet, dat het zo eenvoudig mogelijk weer uit elkaar gehaald kan worden.

Laat het maar eens goed bezinken: een gebouw of een product is een tijdelijke opslagplaats van materialen.

Denk eens na over de consequenties. Voor het ontwerp. Voor het gebruik en het onderhoud. Voor het eigendom. Zoals in het gebouw van Liander: daar hebben ze geen lampen gekocht van Philips. Nee: ze nemen de dienst licht af. Philips is en blijft eigenaar van de lampen en betaald de energierekening.

Van bezit naar gebruik.

Net als bij mobiele telefoons. En steeds vaker bij auto’s. Daarmee is de gebruiker ontzorgd EN blijft de producent eigenaar van die cruciale grondstoffen.

En nu Smart Industry

Wat is nu de mogelijke voorsprong voor Smart Industry? Bij een gebouw is het volstrekt helder waar je grondstoffen zich bevinden: altijd op dezelfde plek. Telefoons zijn gekoppeld aan een eindgebruiker via een abonnement. Voor auto’s geldt hetzelfde, auto’s zijn zelfs een zogenaamd registergoed. Via het kenteken is exact bekend wie de eigenaar is.

In de industrie ligt dat vaak complexer. Kleinere producten, halffabrikaten, noem maar op. Hier komen slimme producten en Big Data om de hoek kijken. Steeds meer producten worden voorzien van steeds kleinere chips. Daarmee volgt de fabrikant hoe zijn product wordt gebruikt, onder welke omstandigheden er problemen optreden enzovoort. En hij weet dus ook waar zijn product is.

Smart Industry leidt er al toe dat de business modellen van bedrijven veranderen. Smart Industry bedrijven zijn zich al aan het aanpassen aan een steeds onvoorspelbaardere omgeving, aan klanten die andere eisen stellen. Ik durf de voorspelling aan dat de noodzaak voor een meer circulaire economie deze trend zal versterken. Uit strategische overwegingen zullen producenten eigenaar willen blijven van hun product. Niet alleen omdat hun klanten dat willen – die willen immers ontzorgd worden – maar om zeker te stellen dat hij blijvend over de grondstoffen beschikt om zijn klanten ook in de toekomst te kunnen leveren.

Digitalisering van processen en producten is één ding. De vierde industriële revolutie is gaande. Laten we dan ook de strategische stap maken naar borging van onze grondstoffen. Anders raken we in de Achterhoek alsnog out of business.

8 redenen waarom we meer aandacht aan techniekonderwijs moeten besteden

Techniek is niet alleen voor nerds

Het begrip techniek onderwijs roept vaak gemengde gevoelens op. De beelden variëren van “dan moet je zwaar werk doen in een vieze fabriek” tot “dat is moeilijk en alleen voor nerds”. Zoals ik vorige maand schreef staan we aan het begin van de vierde industriële revolutie. Deze revolutie zorgt er ook voor dat we anders moeten gaan kijken naar het belang van techniek onderwijs.

1 Techniek is essentieel voor de motorische ontwikkeling van kinderen

Ik hoor vaak dat er in het basisonderwijs meer aandacht moet zijn voor computers en programmeren. Iedereen moet immers kunnen omgaan met de moderne ICT-middelen. Dat laatste is zeker wenselijk, tegelijkertijd gaat daar iets anders aan vooraf. Technisch inzicht is ook gekoppeld aan ruimtelijk inzicht. En ruimtelijk inzicht krijg je door te doen: springen, klimmen en zeker ook spelen met blokken. Van Duplo naar LEGO en Kapla

2 Techniek is schoon

Iemand iets leren, is veel makkelijker dan iemand iets afleren. Veel ouders van nu, zijn opgegroeid met het beeld dat techniek gepaard gaat met olie, vuil en lawaai. Dat beeld is er niet voor niets. In de meeste bedrijven is dit helemaal achterhaald. Het is er licht, schoon en behoorlijk rustig. Er zijn zelfs bedrijven die hun (metaal-)producten verpakken in wit karton, om te onderstrepen hoe schoon hun producten zijn.

3 Technische ontwikkelingen vragen om creativiteit

Werken in de techniek is niet alleen voor nerds. Moderne producten zijn ontwikkeld op maat van de klant. Regelmatig gaat het om nieuwe producten, waarbij makers zich moeten inleven in mogelijke behoeften van hun klanten. Dat vraagt om ontwerpers die creatief zijn. Een groot voorstellingsvermogen hebben. De vraag achter de vraag weten te ontdekken.

Klanten van nu willen producten die ze in 1 keer begrijpen.
Dikke handleidingen worden niet gelezen. Sterker nog: een dikke handleiding schrikt af. Een virtuele rondleiding door het product mag nog wel, maar alleen als het niet te lang duurt.

4 Technisch onderwijs biedt kansen op alle niveaus

Technisch onderwijs is van groot belang op alle niveaus. Van VMBO tot Universiteit. En juist ook op de niveaus er tussenin. Technasia (zeg maar: havo en vwo met extra aandacht voor techniek) zijn gelukkig in opkomst.
De basisprincipes van techniek kom je overal in het leven tegen. Techniek en ICT grijp overal in ons leven in. Daarom zou er in alle vakken en opleidingen aandacht aan besteed moeten worden. Ook in bijv. de zorg.
En dat begint dus al op de basisschool.
Techniek moet gewoon worden

5 Techniek sluit aan op de dagelijkse omgeving (aanschouwelijk onderwijs)

Het mooie van techniek onderwijs is, dat het laat zien hoe dingen om ons heen in elkaar zitten. Hoe kun je een lamp laten branden met behulp van een zonnecel? Hoe werkt een lichtschakelaar? Of: wat kun je allemaal maken met een 3D-printer in de klas?

Kinderen leren beter als ze in de praktijk zien waar het over gaat. Als ze dingen kunnen voelen en vastpakken.

6 Techniek biedt kansen om onderwijs en bedrijfsleven op elkaar te laten aansluiten

Het grootste deel van ons onderwijs is beroepsonderwijs. Daar leer je een vak. Wat is er dan mooier om het te leren op de plaats waar het echt gebeurt? Kinderen zijn veel meer geïnteresseerd in een vak als ze zien hoe het in de praktijk wordt toegepast. Ze begrijpen beter waarom ze iets moeten weten. Geen losse weetjes, maar een logisch geheel. Door de verbinding te maken met het bedrijfsleven, krijgen kinderen ook de lessen waar het bedrijfsleven behoefte aan heeft. Dat geldt voor alle vakken. Techniek heeft daarbij als voordeel dat het over concrete producten gaat. Veel machines kun je prima gebruiken voor een les. Om dat ook te doen met de bedrijfsadministratie is al een stuk lastiger

7 Techniek stimuleert de nieuwsgierigheid

Zoals hierboven al gemeld kan techniekonderwijs een goede bijdrage leveren aan aanschouwelijk onderwijs: zichtbaar maken hoe dingen in het dagelijks leven werken. Het is bekend dat als kinderen de mogelijkheid krijgen om te onderzoeken, ze dat graag doen. Het prikkelt de nieuwsgierigheid. En nieuwsgierigheid is de basis van elk leren. Kinderen worden nieuwsgierig geboren. Ze hebben letterlijk een wereld te ontdekken. Vaak gaat dat goed, soms gaat dat fout: leren gaat letterlijk met vallen en opstaan.

Kinderen nieuwsgierig houden is eigenlijk de belangrijkste opdracht voor het onderwijs. Inclusief het mogen vallen

8 We moeten wel

Zoals ik in een vorig blog schreef, staan we aan het begin van de vierde industriële revolutie. Of wat dat nou leuk vinden of niet: dat gebeurt.
Nu
Door die revolutie krijgen we de kans werkgelegenheid terug te halen naar de Achterhoek. Daarvoor hebben we wel mensen nodig met de juiste opleiding. Genoeg technici. Genoeg creatievelingen ook, maar wel creatievelingen die ook de vertaalslag naar producten kunnen maken. Kortom: mensen die niet bang zijn voor techniek.

En de basis daarvoor …. Ligt in het onderwijs

De Achterhoek: natuurlijke voedingsbodem voor Smart Industry

Smart Industry is “hot”.

Maar wat is het eigenlijk?
En vooral: wat levert het ons op?

Smart Industry is een andere naam voor de vierde Industriële revolutie: het tijdperk van de digitalisering. Tot voor kort gebruikten we computers als veredelde reken- en typemachines. Met de komst van internet en mobiele telefonie verandert dit echter drastisch. “Wie tot 10 kan tellen, kan de hele wereld bellen” heette het in 1995.

Wij mensen doen dat bellen ondertussen met een paar lichte aanrakingen van het touchscreen op onze smartphone. En steeds meer apparaten zijn continu met elkaar en het internet verbonden. Alles is met alles verbonden. Continu.

Wat voor gevolgen dat heeft voor onze manier van werken en leven zijn we pas net aan het ontdekken. Het ontstaat om ons heen, in een razend tempo.

Bedrijven ontdekken de mogelijkheden. Orders van een klant worden automatisch ingelezen. En verwerkt: op hetzelfde moment dat de order binnenkomt, bepaalt slimme software welke opdracht nu als eerste aan de beurt is. Een voorman hoeft niet meer de werkvloer op te rennen met een spoedklus. Elke medewerker doet simpelweg de eerstvolgende opdracht. Of deze nou al drie weken gepland stond, of pas vijf minuten.

En oh ja: de nieuwe productieplanning is ook doorgerekend voor inkoop en voorraadbeheer. De bijgestelde forecast komt automatisch bij de leveranciers terecht.

Op deze manier verandert de productieketen in een productienetwerk. Flexibel. Toegespitst op de wensen van de klant.

Smart Industry is dus niet hetzelfde als high-tech. De producten die tot stand komen, hoeven zelf geen technologische hoogstandjes te zijn. Het productieproces verandert wel. Radicaal. Juist in de processen rukken de computers en de robots op.

De producten zelf krijgen vaak een toevoeging.

Ze worden steeds vaker voorzien van een chip. Op die manier weet de fabrikant precies waar zijn producten zijn. Hoe ze gebruikt worden. Dat levert heel veel informatie op. Big Data heet dat. Door al deze informatie te analyseren leert een fabrikant zijn eigen producten steeds beter kennen. En kan hij zelfs voorspellen wanneer een product kapot zal gaan en dus onderhoud nodig heeft nog voordat het zover is.

Al deze informatie leidt er toe dat fabrikanten nadenken over welk product ze leveren. En hoe ze hun hele bedrijf moeten organiseren. Waar in hun bedrijfsproces de toegevoegde waarde zit voor hun klant. Kortom: hoe hun hele bedrijfsmodel in elkaar steekt.

En dat heeft verstrekkende gevolgen.

Denk je maar eens in: het bedrijf met de meeste hotelovernachtingen ter wereld (Airbnb) bezit zelf geen hotels. De grootste taxi-onderneming ter wereld (Uber) bezit zelf geen taxi’s.

Oeps

Tegelijkertijd is 3D-printing in opkomst. Met 3D-printers kunnen we totaal nieuwe producten uit één stuk maken. Gemaakt dicht bij de klant. Volgens de unieke specificaties van die unieke klant. Maatwerk dus. Niet miljoenen identieke producten die zo goedkoop mogelijk gemaakt zijn, maar één of enkele unieke producten.

China heeft een probleem.

En daarmee kom ik bij wat Smart Industry voor de Achterhoek kan betekenen. De ontwikkelingen in de wereld gaan zo snel, dat geen enkel bedrijf het in zijn eentje kan. Samenwerken is een must. Voor het samenwerken in netwerken is nodig dat je elkaar kent, en elkaar vertrouwt.

Het Achterhoeks bedrijfsleven bestaat voor een heel groot deel uit familiebedrijven. MKB’ers die gewend zijn om samen te werken, vanuit langdurige relaties. We kennen elkaar, we vertrouwen elkaar, en we gunnen elkaar ook wat. Last but not least, vanuit nuchterheid en met gezond boeren verstand zijn we in staat om slimme innovaties te realiseren. Na de regio Eindhoven is de Achterhoek -met Twente- de meest innovatie regio van Nederland.

De vierde industriële revolutie is begonnen, of we dat nou leuk vinden of niet. Automatisering en robotisering zal banen doen verdwijnen. Vooral repeterende werkzaamheden, zowel in de productie als bijvoorbeeld in de administratie. Wereldwijd. Daar komen andere banen voor in de plaats. Voor technici. Voor ICT’ers. Maar ook in de creatieve sector: mensen die buiten de gebaande paden kunnen denken. Mensen die heel goed aanvoelen wat klanten kunnen gebruiken.

En zoals gezegd: productie kan weer makkelijker in Nederland plaatsvinden. Niet de eindeloze series waar per product bijna niets aan verdiend wordt en het dus uit de hoge volumes moet komen. Maar steeds wisselende producten, klantspecifiek, en daarmee met veel toegevoegde waarde.

We zullen ons aan moeten passen aan deze nieuwe tijd.

Een aantal eigenschappen die in deze tijd nodig zijn hebben we al. Dat geeft ons een goede uitgangspositie. Nu gaat het erom die positie te behouden en te versterken. Dat lukt alleen als we echt samen werken.
Ondernemers, Onderwijs en Overheid. Daarom hebben we, vanuit de Achterhoek 2020 agenda, ingezet op Smart Industry.

SmartHub Achterhoek.
Toekomst in de maak!

Onderwijs: van wie is de school?

Of: hoe het onderwijs weer van ons allemaal wordt

Het leek zo logisch. In elk dorpje was wel een school, en in onze grotere dorpen waren dat er al snel twee of drie. Soms gingen twee scholen samen, zoals in Wichmond en Baak. En hoewel er al jaren werd aangekondigd dat er minder leerlingen zouden komen, was daar op menige school nog weinig van te merken.

En ineens ging het hard

De scholen in Varssel, Halle-Heide, Halle-Nijman en Veldhoek gingen in 2013 samen met de school in Wolfersveen.
Ook in 2013 werden de scholen in Voor- en Achter Drempt samengevoegd.
Eind 2015 werd in Steenderen een nieuw gebouw opgeleverd. Drie scholen uit Steenderen en de scholen uit Baak en Olburgen kregen hier hun plek.

Het eind aan de leerlingendaling is nog niet in zicht

Dat zette mij aan het denken. De schoolbesturen werkten in de genoemde gevallen goed samen. Zal dat automatisch goed blijven gaan als de spoeling steeds dunner wordt? Stel, het gaat om hun laatste school in een groter gebied, denken de schoolbesturen dan nog steeds vanuit algemeen belang?

Scholen hebben een eigen karakter, een eigen profiel. Dat is goed, daarmee stralen ze uit wat ze belangrijk vinden. Ik vind dat er geen situatie mag ontstaan, waarin scholen met elkaar gaan concurreren om leerlingen. Een situatie, waarin gezegd wordt: “onze aanpak is de beste”. Immers: wat de beste aanpak is, hangt af van het kind.

Het gaat om de ontwikkeling van het kind

De ontwikkeling van een kind gaat veel breder dan alleen taal en rekenen. Kijk maar om je heen. Goede leerresultaten halen op school, is geen garantie voor een gelukkig leven. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt keer op keer, dat andere factoren minstens zo belangrijk zijn. Voldoende bewegen en een groene omgeving, muziek maken, dans / theater en sociale vaardigheden zijn essentieel. Net als een schoolomgeving waarin nieuwsgierigheid aangemoedigd wordt.

En wat gebeurt er in Nederland?

We stellen normen op voor taal en rekenen. Daar toetsen we continu op. Leerkrachten worden op die resultaten beoordeeld. Tegelijkertijd komt er om de haverklap een aanvullende eis uit Den Haag. Leerkrachten worden geacht schapen met minstens 5 poten te zijn. En oh ja, het moet ook met minder geld.

Ouders zijn op dit moment zelf verantwoordelijk voor de sport- en muziekbeoefening door hun kinderen. Waar mogelijk worden er eisen gesteld aan kinderopvangorganisaties om ook op dit gebied een goed aanbod te hebben.

Wel bijzonder: de overheid erkent dat de ontwikkeling van kinderen over meer gaat dan taal en rekenen. Dat meer is wel overgelaten aan ouders zelf en de markt, want kinderopvangorganisaties zijn immers commercieel. Daarmee ondersteunt de overheid vooral de ontwikkeling van kinderen van tweeverdieners.

Dat kan anders!

Juist in onze omgeving kan dat anders. In onze gemeente is breed het besef doorgedrongen dat we elkaar nodig hebben. Noaberschap in een modern jasje.
De leerkrachten zijn er om les te geven. Taal, rekenen, biologie, aardrijkskunde, geschiedenis en al die andere belangrijke vakken. De andere helft kunnen we samen vorm geven. Op een aantal plaatsen zien we al dat de lokale harmonie het muziekonderwijs verzorgt. Datzelfde moet mogelijk zijn voor sport en bewegen.

Voor alle kinderen.

En dan niet in de tijd tussen 8.30 en 14.00 gepropt, maar van 7.00 tot maximaal 19.00.

De ontwikkeling van onze kinderen is een gemeenschappelijke opdracht voor ons allemaal. Laten we de brede school combineren met de open club. Hoe we dat precies gaan doen? Daarover moeten we snel met elkaar in gesprek!

Ongekunsteld & openhartig: mijn eigen blog

***** Tromgeroffel *****

Wow… spannend! Mijn eigen blog. Onder het motto: ongekunsteld & openhartig.

Mijn eigen plekje op het web, waar ik kan laten zien wie ik ben. Wat ik doe. Wat ik belangrijk vind.

Het is ook een afspraak

Een afspraak met mezelf, om regelmatig van me te laten horen. En dat valt niet mee! Bij elk artikel ondervind ik weer de schroom of wat ik schrijf, wel interessant is voor jou, als lezer.

Zeggen wat je bedoelt.

Eerlijk zijn

Als wethouder kan ik besluiten beïnvloeden. Als wethouder ben ik – samen met mijn collega’s – verantwoordelijk voor wat de gemeente doet.

Er is ook heel veel wat een gemeente niet kan. Ook daar wil ik eerlijk over zijn. Zodat er geen valse verwachtingen gewekt worden.